Winter, Theodorus de

Geboren te Amsterdam op 16 mei 1834 als zoon van wijnkoper Derk Jan Jacobsz. de Winter (gedoopt Edam 6 januari 1802-Amsterdam 8 februari 1837) en Anna Maria Telting (Edam 5 november 1805-Oisterwijk 8 augustus 1879). Hij huwde op 20 mei 1864 te Nieuwenhoorn met Wilhelmina Berendina Geertruida van Cornewal (Nieuwenhoorn 17 november 1839-Utrecht 14 oktober 1884), dochter van een opzichter van rijkswaterstaat, met wie hij twee dochters en twee zonen kreeg. De oudste dochter huwde met Johan Carel baron van Boetzelaer; het jongste dochtertje, geboren te Oisterwijk op 24 mei 1883, overleed al na twee maanden. De Winter was postdirecteur te Noordwijk en van 30 maart 1872 tot zijn dood in 1887 postdirecteur te Oisterwijk, dat toen nog ten huize van de directeur gevestigd was, op de huidige hoek Kerkstraat en Poststeeg, waar in de twintigste eeuw ook dokter Desain woonde. De Winter was J.G. van der Goes als postdirecteur opgevolgd. Berucht in het dorp was de hond van De Winter. In 1880 had de hond al verschillende mensen aangevallen, maar De Winter liet hem vrij loslopen. Een man die van de jacht terugkwam en ook aangevallen werd, schoot de hond in zijn poten, maar verwondde per ongeluk ook de vrouw van de veldwachter. In maart 1887 werd een kastekort van 2000 gulden bij het postkantoor ontdekt. Theodorus de Winter wachtte het justitieel onderzoek niet af en verdronk zich in de Oisterwijkse vennen. Hij overleed te Oisterwijk op 12 maart 1887. Zijn weduwe vertrok na zijn dood naar Amsterdam. Balbian de Verster maakte een schets van De Winter, compleet met een postzegel van 1 cent. De Winter werd als postdirecteur in Oisterwijk opgevolgd door Henricus Houwink.