Wellenbergh, Jacobus Rutgerus

JR Wellenbergh

Geboren te Utrecht op 24 mei 1845 als zoon van Pieter Hendrik Jacob Wellenbergh (Stompwijk 7 mei 1814- Oisterwijk 13 december 1875) en Anthonia Aletta Geertruida Koumans Smeding (Leeuwarden 6 augustus 1822-Oisterwijk 19 juni 1879). Hij huwde te Utrecht op 7 maart 1878 met Alida Henriette Catharina Duijfjes (Utrecht 16 juli 1848-Renkum 4 oktober 1894) en kreeg daarmee tenminste een zoon: Pieter Hendrik Jacob Rutgerus (Oisterwijk 8 april 1879-Den Haag 19 november 1960).

Hij studeerde rechten in Utrecht en was in 1868 kandidaat-notaris. Hij was samen met zijn broer Pieter in 1869 lid van het Utrechtse studenencorps. Pieter studeerde er medicijnen. Beiden woonden toen in de 'Bildtstraat' (Biltstraat). Al op 24 mei 1870 werd hij ingeschreven in het bevolkingsregister van Oisterwijk en leek daarmee kwartiermaker te zijn voor de familie Wellenbergh in Oisterwijk. Vanaf 1875 en tenminste tot 1879 was hij penningmeester van de zevende afdeling van de Maatschappij voor Landbouw, Tuinbouw en Veeteelt (Oisterwijk, Moergestel en later ook Boxtel). Deze afdeling had zich in 1875 afgescheiden van Tilburg. Het gezin woonde op De Lind (Huize Nieuwerhoek) en verhuisde op 28 april 1881 naar Oosterbeek (gemeente Renkum), waar hij landgoed Sonnenberg (19 hectare groot) kocht en er een kasteel of eigenlijk landhuis met frivole torentjes liet aanleggen evenals een fraaie oprijlaan. Op het landgoed verrees ook een rentmeesterswoning. Huize Nieuwerhoek werd daarna bewoond door o.a. de bierbrouwers F. Hofman en A.C.J. van Tomputte. J.R. Wellenbergh was in 1878 als grootgrondbezitter penningmeester van de Maatschappij van Landbouw afdeling Oisterwijk-Moergestel-Boxtel e.o. In 1889 werd hij als liberaal gekozen tot raadslid in de gemeente Renkum. Hij was voordragen door enige kiezers uit Oosterbeek, maar gaf in een krantenadvertentie aan het mandaat niet te aanvaarden. Hij overleed na een langdurige ziekte te Renkum op 8 maart 1899. In 1951 werd het huis met zijn torentjes en decoratieve versieringen gesloopt om plaats te maken voor een rusthuis voor gepensioneerde onderwijzers. In 2009 werd hier een groter zorgcomplex voor in de plaats gebouwd.

Zijn bovengenoemde zoon Pieter huwde op 10 april 1902 te Renkum met Johanna Maria Berends (Arnhem 17 augustus 1871-Enkhuizen 17 februari 1956). Op 2 augustus 1905 stierf er hun tweejarig zoontje Jacobus Rutgerus en op 21 december 1908 hun twee dagen oude dochter Marij Johanna). Deze zoon Pieter bezat vanaf 1903 een auto (Cudell 6 pk), waarmee hij Oosterbeek en omgeving oveilig maakte. Toen hij echter een snelheidsmonster, de Lorraine- Dietrich Double Phaeton 1905, aanschafte, kwam hij in de problemen. In augustus 1907 werd Pieter Wellenbergh, blijkens een mededeling in de Staatscourant van 17 augustus 1907, het rijbewijs voor een jaar ontnomen wegens het met hoge snelheid omver rijden van een fietser. De ongelukkige reed op de Utrechtseweg en stak nabij de Oranjestraat over. Deze overleefde de aanslag maar hield er meerdere kwetsuren aan over. De eis van het OM was overigens een maand opsluiting, zodat Pieter er nog goed van af kwam. In september en november 1910 verschenen in De Gelderlander berichten over Pieter Wellenbergh. Hij, die zich volgens de krant ‘prins van Bourbon’ noemde, was met zijn auto aangehouden vanwege vermeende smokkelpraktijken. Wellenbergh en zijn vrouw moesten voor de rechter verschijnen en een boete betalen. Zijn huwelijk met Berends werd ontbonden te Utrecht op 22 juli 1914. Het is niet uitgesloten dat hij na het overlijden van zijn oom Pieter landgoed Gemullehoeken nog in eigendom heeft gehad, of dat de legaten in Oisterwijk toegeschreven aan zijn oom eveneens deels van hem afkomstig waren.