Strijd, Krijn


Geboren te Rotterdam (Diergaardesingel 36) op 18 september 1909 als zoon van aanplakker Teunis Strijd (Rotterdam 28 april 1869-26 juli 1950) en Hendrikje Wielhouwer (Ooltgensplaat 18 juni 1877), dochter van een zadelmaker. Hij groeide op in een arbeidersgezin dat rechtzinnig hervormd was. Hij huwde op 4 augustus 1938 te Ferwerderadeel met Marijke Glas (Hallum 10 augustus 1902-Amsterdam 8 februari 1990), met wie hij tenminste een dochter kreeg. Marijke was weduwe van Wieger van Dijk (1905-1934). Krijn Strijd studeerde theologie in Leiden (1930) en Utrecht (1931). Hij promoveerde in 1958 aan de universiteit Utrecht op het proefschrift Structuur en inhoud van Anselmus’ Cur Deus homo (promotor M. van Rhijn), waarin hij het thema 'verzoening' boven 'vergelding' stelde. Onder invloed van W.B. Kristensen ontwikkelde hij een sterke godsdienstwetenschappelijke interesse en dan vooral voor de Egyptologie. Hij was Nederlands Hervormd predikant te Blija (1936), Oisterwijk (1939), Hengelo Overijssel (1941), Den Bosch (1947) en Amsterdam (1961, predikant voor bijzondere werkzaamheden en tevens studiesecretaris voor Kerk en Vrede). Sinds 1936 maakte hij deel uit van de Vereeniging van Christen-anti-militairisten 'Kerk en Vrede' en stemde Christelijk-Democatische Unie, de enige partij die vasthield aan het ontwapeningsstandpunt. Het vrijzinnig Blija had met enige aarzeling Strijd benoemd omdat hij op de rechterflank van de vrijzinnigheid stond. Hij was van 5 februari 1939 tot 2 november 1941 predikant in Oisterwijk, waar hij de overleden dominee Kunst opgevolgde. Strijd was bij het leger berucht om zijn antimilitarisme. Tijdens zijn preken in 1939-1940 stond er een militair op wacht bij de hervormde kerk in de Kerkstraat om toe zien dat er geen gemobiliseerden naar zijn antimilitaristische preek zouden luisteren. Strijd vermoedde dat kerkenraadslid en NSB’er Rompelman de autoriteiten over de preken had ingelicht, maar zijn lidmaatschap van Kerk en Vrede zal doorslaggevend geweest zijn voor het optreden van de militaire autoriteiten. Het was bekend dat Strijd jongens – ook Oisterwijkse – aanzette tot dienstweigering. In november 1939 wilde hij een litho van Aart van Dobbenburgh (Kerk en Vrede) in het kerkportaal ophangen, met daarop twee omhoog geheven handen voor een kruis met rozen met de tekst ‘Gij zijt allen schuldig’. De tekst Kerk en Vrede werd er op zijn voorstel van afgehaald om tegenstanders niet al zeer te provoceren. Maar de kerkenraad achtte het uiteindelijk toch verstandiger het affiche in het geheel niet op te hangen. Strijd stond als predikant zeer gereserveerd tegenover het instituut koningshuis omdat hij het zag als een symbool van nationalisme en militarisme. Bij de aanstaande geboorte van een nieuwe prinses (Irene), begin augustus 1939, stelde Strijd aan de kerkenraad voor om geen kerkdienst te houden bij de geboorte. Hij zag de verhouding Kerk-Vorstenhuis-Evangelie als ‘zeer gespannen’ en als er een dienst kwam kon hij niet anders dan wijzen op het gevaar van ‘de huidige nationalistiese verdwazing, op de misbruikte leuze "God-Nederland-Oranje", op de verbinding vorstenhuis-militairisme’. Steun kreeg hij slechts van diaken en sociaal-democraat Suwijn. De meerderheid van de kerkenraad wilde de kerkdienst gewoon laten doorgaan. Tijdens de Tweede Wereldoorlog hield Strijd terdege rekening met de situatie dat preken hem onmogelijk zou worden gemaakt en trof voorbereiding voor een situatie van "nood-liturgie" door ouderling W. de Groot. Strijd werd door de secretaris der Algemene Synode Commissie in mei 1941 verzocht de geestelijke verzorging op zich te nemen van de deelnemers aan het modelkamp van de Arbeidsdienst. Hij stelde om verschillende redenen deze uitnodiging niet te kunnen aanvaarden. Een poging van de Oisterwijkse ouderling G. Ensing (lid van Nationaal Front) om de fascistische dominee Domela Nieuwenhuis Nyegaard in de Oisterwijkse kerk te laten preken verhinderde Strijd. Strijd woonde als dominee in de woning Het Hof aan de Dorpsstraat. In 1941 publiceerde Krijn Strijd zijn eerste boek over zijn grote voorbeeld de profeet Jeremia. In juli 1941 werd Strijd beroepen in Hengelo en in Oisterwijk opgevolgd door H. Bax. Strijd was kort voor de liquidatie van Kerk en Vrede (maart 1941) lid van het hoofdbestuur van Kerk en Vrede geworden. Strijd liet in Hengelo tijdens de oorlog pamfletten van Kerk en Vrede drukken. Een rondzendbrief van hem uit augustus 1942 waarin hij de nadruk legde op de onverzoenlijke tegenstelling tussen evangelie en oorlog leidde op 17 september 1942 tot zijn arrestatie. Huiszoeking volgde, alsmede een verhoor door de Sicherheitsdienst te Arnhem. Strijd ging op 27 november 1942 naar concentratiekamp Amersfoort. op zijn persoonskaart in het kamp staat 'Schutzhaftbefehl 6 maanden hechtenis', de datum 9 december 1942 en zijn gevangenennummer: 1497. Op 13 januari 1943 kwam hij met hetzelfde gevangenennummer binnen in kamp Vught. Aan zijn vrouw werd zijn overlijden in het kamp gemeld, maar het bleek om een administratieve misser te gaan: een andere predikant was in het kamp gestorven. Na negen maanden Vught werd hij op 29 september 1943 vrijgelaten, nadat zijn gevangenschap eerst nog verlengd was wegens 'wederspannigheid'. Na de bevrijding was hij een der eersten die zich niet lieten verleiden tot zwart-wit denken. In zijn brochure Wat moet er met de NSB-ers gebeuren? (1945) schreef hij ‘Laten we niet vergeten, dat er een groep is onder ons volk, die oneindig veel gevaarlijker is dan zeer vele nu opgesloten NSB-ers. (…) Hiertoe behooren allen, die nu over “de Duitschers” spreken, zoals deze jarenlang over "de Joden" spraken. Hiertoe behooren allen, die door den geest van willekeur, haat en bruutheid meer gelijkgeschakeld zijn dan zijzelf wel willen toegeven. Daarom past ons geen zelfgenoegzame farizeesche houding, alsof de situatie zoo was: hier de NSB-ers enz. en daar de “fatsoenlijke” samenleving. Zoo eenvoudig is het niet’. Hij was lid van een comité dat zich verzette tegen de doodstraf. hij sprak zich eveneens uit tegen de koloniale oorlog die Nederland in Indonesië voerde. Strijd publiceerde na de oorlog over o.a. kernwapens en over Marx en Gandhi. Zijn boek Geweldloze weerbaarheid. Uitvlucht? Uitweg? Uitdaging (1974) werd veel gelezen. Hij stelde zelf dat zijn geestelijke en sociale vorming bepaald waren door Jeremia, Marx, Lenin, M.L. King en Anselmus. Strijd was een tegenstander van de NAVO vanwege de atoombewapening en confrontatiepolitiek. Hij was na de oorlog lid geworden van de PvdA maar behoorde in 1957 tot de oprichters van de Pacifistische Socialistische Partij (PSP). Hij werd studiesecretaris van de vredesbeweging Kerk en Vrede (1961-1968) en docent aan de sociale academie De Horst in Driebergen (1960-1967). Vanaf 1968 was hij gewoon en kerkelijk hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam waar hij christelijke ethiek, homiletiek en kerkrecht doceerde tot 1976. Hij overleed te Amsterdam op 30 oktober 1983.

Literatuur: H. Noordegraaf, 'Krijn Strijd', Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme, deel 6 (2006) 301-304; Ad van den Oord, '"Een plantenvreter in badpak". Hendrik Klein en de stichting van Morgenrood’, in Ad van den Oord, Siebe Thissen en Jacqueline de Vries, De akelige twee procent. Andersdenkenden in katholiek Oisterwijk, 1891-1940 (Oisterwijk 1992) 129-144; Regionaal Archief Tilburg, Archief Nederlands Hervormde Gemeente Oisterwijk, inv. nr. 5, handelingen kerkenraad 1939-1962.