Schoonenburg, Laurentius WilhelmusGeboren te Amsterdam op 21 januari 1868 als zoon van metselaar Johannes Antonius Schoonenburg (Sint-Oedenrode 2 februari 1835-Nijmegen 8 mei 1894) en Elisabeth Elderman (Amsterdam 27 september 1839-Ginneken 26 september 1919). Hij huwde op 2 maart 1905 te Oisterwijk met Maria Anna Josephina Theunissen (Helmond 28 juni 1882), dochter van een horlogemaker. De Schoonenburgs waren een familie van metselaars, die in het midden van de negentiende eeuw vanuit Brabant naar Amsterdam verhuisden. Zijn vader werd een vermogend man, vooral door het bezit van onroerende goederen in Amsterdam en Sloten. Mogelijk was zijn vader ook een van de aannemers van het in de jaren tachtig van de negentiende eeuw gebouwde Amsterdamse concertgebouw. Het gezin van de inmiddels rentenier geworden J.A. Schoonenburg woonde vanaf 15 augustus 1886 in Udenhout, op 2 april 1889 werd vertrokken naar Geldrop. Op 5 mei 1894 verhuisde het gezinnetje naar Nijmegen. Na het overlijden van zijn vader kwam Laurentius Wilhelmus samen met zijn moeder op 11 mei 1896 uit Nijmegen naar Oisterwijk. Laurentius Wilhelmus was bouwkundige/architect en werd in mei 1897 architect van de sigarenfabriek De Huifkar op De Lind van A. Hamers. Vervolgens maakte hij bestek en voorwaarden waaronder de bouw van het Oisterwijkse raadhuis in 1899-1900 zou kunnen plaatsvinden. In 1903 liet de Commissaris der Koningin na zijn werkbezoek aan Oisterwijk weten niet erg onder de indruk te zijn van het werk van Schoonenburg. Hij zou onvoldoende toezicht gehouden hebben door pas na 10.00 uur ’s morgens op het werk te verschijnen. En er waren grote gebreken aan het raadhuis geconstateerd die slechts tegen grote kosten gerepareerd konden worden. Zo moest er een geheel nieuw dak op omdat het oude lekte. In 1899 was Schoonenburg eveneens architect voor het fraterhuis en de fraterschool Joannes van Oisterwijk aan de Kerkstraat. In 1904 werd hij benoemd tot lid van de regionale Gezondheidscommissie. Kort na zijn huwelijk, op 6 mei 1905, vertrok Schoonenburg naar Ginneken, een week daarvoor was zijn moeder al naar Breda verhuisd. In 1918 was hij als bouwkundige gevestigd in Teteringen. Hij keerde met zijn vrouw op 14 juli 1920 vanuit Teteringen in Oisterwijk terug, waar zij inwoonden bij hotelhouder Martinus Joannes van Iersel (hotel de Nederlander), die gehuwd was met een bijna tien jaar oudere zus van Maria Anna Josephina Theunissen, maar die merkwaardigerwijs exact dezelfde doopnamen had. In Oisterwijk ging het gerucht dat de echtgenote van Schoonenburg een liefdesrelatie had met dokter Bloemink. Met Bernard Vriens maakte Schoonenburg in 1920 plannen voor de bouw van de Johannes de Doperschool tegenover het fraterhuis aan de Kerkstraat. Deze school kwam in 1922 gereed. Schoonenburg overleed op 2 mei 1924 in het H. Joannes de Deo-ziekenhuis te Den Bosch. Zijn vrouw vertrok op 26 juni 1925 naar Oud Wassenaar en woonde in de jaren dertig in Amsterdam en Delft. Ze hertrouwde in Delft op 20 oktober 1939 met Jan Johannes Coenelis van der Wouden, directeur van de 'vereeniging Nazorg'. Van der Wouden overleed op 5 december 1943 in Delft. |