Schellekens, Hermanus Josephus
Gedoopt op 18 mei 1756 te Leuven als zoon van Hermanus Godefridus Schellekens (Leuven 21 april 1720-20 maart 1800) en Joanna Maria Francisca Berthijns (Leuven 18 januari 1721-23 november 1800). Hermanus Josephus huwde op 19 mei 1799 voor de wet en in de RK kerk met de dan reeds vier maanden zwangere Elisabeth Tijsmans (Loon op Zand gedoopt 14 augustus 1762-Oisterwijk 4 augustus 1800), weduwe van koopman en lakendrapier Cornelius Josephus Suijs (gedoopt Den Bosch 7 januari 1745-Oisterwijk 21 juli 1793), met wie ze reeds drie kinderen had. Schellekens en Tijsmans kregen een dochter Maria Catharina Hermana Josepha die op 11 september 1799 gedoopt werd (het kind werd reeds begraven op 31 maart 1801). Zijn vrouw Elisabeth overleed reeds in 1800 op 38-jarige leeftijd aan een 'sukkelende pynelyke' ziekte, vier nog 'onmondige' kinderen achterlatend. Zijn vader vervulde belangrijke bestuurlijke functies in het Leuven van rond 1775. De familie Schellekens was in Leuven een bekend chirurgijnengeslacht, in die periode kwam één op de drie chirurgijnen in Leuven uit die familie. Hermanus Schellekens ging al op zijn achtste jaar in de leer bij zijn vader, die barbier-chirurgijn was. Zijn licentiaat behaalde hij in Leuven op 27 oktober 1777. Schellekens was vanaf 1778-1781 werkzaam als arts in Oisterwijk. In de maand september van 1781 werd hij in Oisterwijk geconfronteerd met de rode loop (diarree met bloed), tot en met november zouden van de 1550 inwoners 187 de ziekte krijgen, waarvan er 52 overleden. Op 25 september werd aan alle waterputten in het dorp een waarschuwingsbiljet bevestigd met negen artikelen om verspreiding van de ziekte tegen te gaan. Schellekens bezat het huis Lindeind 5, waar later de Franse School en nu het westelijk deel van het gemeentekantoor is gevestigd. Dat herenhuis met schuur of stal, ‘spatieuse’ tuin met vruchtbomen en een zomerhuisje aan de Stroom, was op 27 februari 1796 eigendom geworden van de kinderen van Cornelius Suys, dus van de stiefkinderen van Schellekens. Hij kocht het huis in 1810 van zijn stiefdochter Elisabeth Maria Suys. Een jaar later koopt Schellekens ook nog het oostelijk daarvan gelegen Lindeind 4. Namens een groot aantal Vaderlandsche Sociëteiten uit Brabant was hij op 28 augustus 1795 aanwezig op de Centrale Vergadering van Patriottische corpora in de Oude Doelen te 's-Gravenhage. Hij was president van de Vaderlandse Sociëteit Oisterwijk op 17 juli 1795. Secretaris was Johannes Hendrik van den Boer en verdere voormannen waren Joannes Antonisse en Willem Peter van Esch. Schellekens was in 1795 een van de aanvoerders van katholieke parochianen die wensten dat pastoor Van der Bruggen alle kerkregenten ontslag zou geven en dat het volk nieuwe kerkregenten kon kiezen. Verder keerden de patriotten zich tegen de bankenverhuur. Pastoor Van der Bruggen had in 1765 banken in de schuurkerk laten plaatsen, waarvan een gedeelte verhuurd werd. De kerk wilde deze inkomsten niet laten schieten. De patriotten kwamen bijeen in het huis van Schellekens. Zij maakten een nieuw kerkreglement maar Van der Bruggen deed er niets mee. De patriotten hielden daarop een petitie en riepen op de betaling van tienden te staken. De Representanten van het volk van Bataafsch Brabant in Den Bosch wezen de eisen van de Oisterwijkse patriotten af. De patriotten gingen daarna zitten op de verhuurde banken. Maar na een verbod van de Representanten van Bataafsch Brabant van 6 oktober 1796, Schellekens was mogelijk nog lid van dat college, hielden hun acties op. Schellekens was in elk geval lid van de Representanten van het volk van Bataafs Brabant van 9 tot 16 januari 1796. Ook was hij eerste vervanger (voor A. Molengraaff uit Vught) namens Kwartier van Oisterwijk binnen de Nationale Vergadering (1796). Op 28 maart 1798 werd hij met andere patriotten gekozen in de Oisterwijkse municipaliteit. Vanaf 10 april 1799 was hij president-schepen van Oisterwijk. Schellekens verzocht en kreeg in juni 1803 ontslag als districtsgecommiteerde voor de heffingen voor het district Oisterwijk. in datzelfde jaar vormde hij samen met Christianus Lust, P. Assenberghs en C.G. [S.F.?] Rijpperda het dagelijks bestuur van Oisterwijk. Op 18 februari 1805 werd hij samen met Christianus Lust aangesteld tot Medicinae Doctors over de armen in Oisterwijk en Heukelom. Op 8 maart 1806 legde Schellekens ook de eed af als herbergier en tapper van wijnen en gedestilleerd. Ook bezat hij bouwlanden en weilanden in Oisterwijk en een schuur aldaar met ploeg. Nadat Brabant in maart 1810 ingelijfd was bij het Keizerrijk Frankrijk werd op 13 augustus 1810 Schellekens door de prefect van het departement van de Monden van de Rijn N.F. de Beaumont aangesteld tot maire van Oisterwijk (tot 9 februari 1814), Folkert Rijpperda werd adjunct-maire en volgde Schellekens op als burgemeester. Schellekens was in 1816 weer uitsluitend medicus. Op 10 augustus 1820 liet hij zijn testament opmaken. Naast familie en kerk erfde ook zijn dienstmeid Goverdina van der Horst vijftig gulden. In zijn testament werden genoemd een apotheek, een bibliotheek, een sjees met kussen, een melkkoe, een kalf en een geit alsmede een paard (vos ruin) en een zilveren cachet. Door zijn ziekte kon hij niet meer schrijven en tekenen. Hij overleed twee dagen later te Oisterwijk, op 12 augustus 1820. Hij is de enige overleden burgemeester uit het moderne Oisterwijk waarnaar geen straat vernoemd is. Literatuur: J.C. Vermuë, De dokter en de rode loop, De Kleine Meijerij 62 (2011) 154-169; A.R.M. Mommers, Brabant van generaliteitsland tot gewest. Bestuursinrichting en gezagsuitoefening in en over de landen en steden van Staats-Brabant en Bataafs Braband, 14 september 1629 - 1 maart 1796 (Utrecht 1953). |