Roume, Louise Renée (Louk)

Louk Roume

Geboren te Oostende op 1 januari 1905 als dochter van caféhouder Pierre Marie Charles Antoine Roume (Limoges 1 augustus 1869-1922) en pianiste Dymphne Louise de Rouck (Ledeberg [Oost-Vlaanderen] 27 juli 1879-Utrecht 25 november 1924), die op 15 oktober 1904 in Oostende getrouwd waren. Haar moeder was toen dus al hoogzwanger. In 1905 woonden ze Pavillon du Parc Léopold. Ze kwam vanuit Gent met haar moeder of ouders in Rotterdam aan op 12 september 1912 (inwonend bij Koolen, Delftschevaart 85) en vertrok weer op 27 augustus 1913. Haar ouders waren in 1913 gescheiden. Louk was op 18-19 juli 1922 geslaagd voor het examen MULO A. Eind 1922 slaagde zij als 'Rotterdamse' aan de Kon. Erk. Pitmanschool te Utrecht voor het stenografie-diploma-A. Louk woonde daarna enige tijd in Enschede tot zij in januari 1924 weer bij haar moeder in Utrecht woonde (1923-1924: Leidschekade 15 en Bosboom-Toussaintstraat 9). Op 19 januari 1925, haar moeder was overleden, vertrok ze naar Gent (Visscherij 143). Ze had de Franse nationaliteit en ging in februari 1928 komende uit Londen als stenografiste en correspondente werken voor de Amsterdamsche Ledermaatschappij. In Amsterdam woonde ze Centuurbaan 131. Met het kantoorpersoneel kwam ze 12 november 1928 naar Oisterwijk, waar ze introk bij de weduwe Domstorff aan de Gemullehoekenweg. In september 1934 was zij medeoprichtster en secretaris van de Tilburgse tafeltennisvereniging The Bouncing Ball. Ze werd ziek en vertrok op 30 januari 1936 naar België. Later ging ze werken voor Philips en voor de Association de Secours aux Refugiés Néerlandais in Parijs. Samen met Catherine Okhuijsen (‘Okki’) had ze tijdens de Tweede Wereldoorlog een vooraanstaande rol in de vluchtorganisatie Dutch-Paris die Joden en Engelandvaarders vanuit Nederland hielp vluchten. De vluchtelingen verbleven in het grote appartement van Roume aan de Boulevard Montparnasse 143. Roume had via haar oud-collega Willy van Breemen en via Jopie Smulders ook contacten in Oisterwijk. Op 3 maart 1944 werd Roume thuis door de Gestapo opgepakt nadat er twee persoonsbewijzen in haar nachtkastje gevonden waren. Ze kwam terecht in concentratiekamp Ravensbrück en vervolgens in Celle bij Hannover, waar ze in een rubberfabriek moest werken (Arolsen: gevangenennummer 5689, index Hamburg, onduidelijk van welk kamp). Door dat werk kwam ze niet terecht in het nabije beruchte concentratiekamp Bergen Belsen. Ze werd door de geallieerden bevrijd, onder hen was Benny Klein, de toenmalige joodse man van Jopie Smulders, die als tolk werkte bij de geallieerden. Van hem kreeg ze de eerste reep chocolade.

Literatuur: Megan Koreman, Gewone helden. De Dutch-Paris ontsnappingslijn 1942-1945 (Amsterdam 2016).