Lange, Petrus de

Gedoopt op 1 mei 1672 te Helvoirt als zoon van Jacobus de Lange, predikant van Helvoirt (tot 1672) en Oisterwijk (1673-1697), en Sophia (Sijcke) Verster (Geertruidenberg 16 februari 1633-20 augustus 1690). Hij huwde op 18 november 1716 te Oisterwijk met Anna de Lange waarmee hij tenminste twee zonen kreeg. Hij werd in 1697-1698 benoemd tot adjunct-predikant van Oisterwijk en Udenhout, als opvolger van zijn vader Jacobus. Petrus de Lange bleef dominee van Oisterwijk tot zijn dood. Hij klaagde in mei 1723 over de pastorie die te klein zou zijn en bovendien ondervond hij moeilijkheden met de abt van Sint Gertrui te Leuven over reparaties aan de pastorie. Op 8 oktober 1723 kreeg hij het geëvacueerde Catharinenbergklooster als pastorie in erfpacht voor de som van 250 gulden per jaar. Dat zat de katholieke geestelijkheid niet lekker. De Lange schreef in 1728 aan de Staten-Generaal dat de Oisterwijkse papisten ‘haar niet ontsiende langhs de Straaten te gaan met lange vercierde Paternosters op haare zijde, en loopende Sondaghs de onse tegens haare Lichamen aan, in plaats van te wijcken; daarenboven haar uytscheldende voor Geuse, Duyvels en Honden, en dat de Hel voor haar open staat, waar in sij sullen moeten branden, en meer andere lasterwoorden die sij uytbraken’. Katholieken vielen het klooster waar De Lange resideerde aan. De huisvredebreuk was volgens De Lange bijna uitgelopen op een moordaanslag. Hij overleed op 6 mei 1736. Hij werd als predikant opgevolgd door Laurens Verster, diens vader was een neef (tantezegger van de Sophia Verster. In april 1739 verzocht zijn weduwe Anna de Lange ontslagen te mogen worden van het in erfpacht hebbende klooster Catharinenberg omdat haar financiële situatie dat niet toeliet.

Literatuur: Hans Janssen, ‘De "aanslag" op predikant Petrus de Lange te Oisterwijk in 1728’, in De Kleine Meijerij 37 (1986) 17-21.