Glotzbach, Jan
Geboren te Deventer op 15 april 1897 als zoon van Maria Johanna Steenbergen (Deventer 8 december 1873-Apeldoorn 14 december 1964), dochter van een dagloner. Na haar huwelijk op 14 oktober 1897 met de trompetter Andreas Lambertus Glotzbach (Leeuwarden 24 januari 1873-Den Haag 16 augustus 1959) werden twee kinderen gewettigd, waaronder Jan. Jan Glotzbach had als kind maar één wens": naar zee. Op veertienjarige leeftijd bracht zijn vader hem naar de Zeevaartschool in Leiden. In 1913 mocht Jan starten op de HM Gelderland en in 1914 werd hij op de duikersschool geplaatst. Maar de Eerste Wereldoorlog dwong hem aan wal te blijven. In 1917 voer hij met de HM Zeeland naar Indië om vervolgens af te meren in New York. De avonturier werkte er tien maanden op een Amerikaanse boerderij. Vervolgens nam hij dienst op een vrachtschip dat voer tussen New York en Havana. Maar uiteindelijk is hij het varen zat en keerde hij terug naar Nederland. Daar maakte hij Anna Wilhelmina Meijer (Amsterdam 18 december 1897) zwanger en op 4 februari 1918 kregen ze in Amsterdam een zoon Jan. Vervolgens kwam het ongehuwde stel met kind in Oisterwijk wonen waar op 31 december 1918 werd gehuwd. Op 27 juni 1919 kregen zij te Oisterwijk een dochter Neeltje Maria (die later zou huwen met Anton Hilbrink). Jan was nog steeds officieel matroos. Op 5 september 1920 werd er nog een tweede zoon geboren. Jan Glotzbach was in Oisterwijk secretaris en penningmeester van de SDAP-afdeling vanaf 1920 tot in elk geval begin 1922. In 1919 stond hij vermeld als 'arbeider', maar in september 1920 als 'badmeester'. Bij de Oisterwijksche Bad- en Zwemvereeniging startte zijn carrière als badmeester. Hij haalde maar liefst zes drenkelingen uit het water van het Staalbergven. Maar voor een socialist was in het Oisterwijkse geen plaats. Op 2 juli 1921 waarschuwde kapelaan J. Litjens de Bossche bisschop voor de Oisterwijkse zwemclub die volgens hem een ‘ellendigen invloed op ons roomschen uitoefent met den zedelijken minderwaardigen Dr. Bloemink als president en een socialist als badmeester’. Met die laatste doelde de kapelaan dus op Jan Glotzbach. Ergens in 1921-1922 vertrok Glotzbach naar Deventer, zijn geboortestad, om daar badmeester te worden. In januari 1926 werd hij badmeester op het sportpark Almelo van de Nederlandsche Arbeiderssportbond. Hij richtte er in 1933 ook een EHBO-afdeling op. Daar zou hij in 1965 afscheid nemen, nadat hij 38 jaar de leiding had gehad over het zwembad in Almelo. Bij zijn afscheid vermeldde hij naast badmeester ook taxichauffeur, fotograaf, machinist op een zandtreintje, marktkoopman en nog veel meer te zijn geweest. Hij kon zich toen nog opwinden over zijn beginperiode waarin gemengd zwemmen tegenstand ontving en het bad was ingedeeld in een eerste en tweede klasse. Voor de socialist Glotzbach was dat laatste onaanvaardbaar. Zijn zoon Jan was tijdens de Tweede Wereldoorlog actief in het verzet en na de oorlog werkte deze als gemeenteambtenaar in Almelo. Jan Glotzbach overleed op 28 december 1978 te Almelo. Literatuur: Tubantia, 19 april 1962. |