Coster, Henricus deGeboren te Oisterwijk. Hij werd professor in de medicijnen aan de nog jonge universiteit van Leuven in 1428. De aan een universiteit opgedane medische kennis was echter puur theoretisch en impliceerde ook geen praktische heelkunde waarbij de arts het lichaam van de patiënt aanraakte, laat staan opende. Een medicus beperkte zich, in tegenstelling tot de veel minder hoog aangeslagen chirurgijn, tot het stellen van een diagnose op grond van de lichaamsuitscheidingen (waaronder het befaamde 'piskijken') en tot behandelingen met behulp van kruiden en poeders. In augustus 1429 en augustus 1430 werd hij door zijn collega-hoogleraren gekozen tot rector-magnificus (telkens voor drie maanden). De Bredase collega-hoogleraar Johannes van den Eel was bij de studenten echter veel populairder. Daarom moest hij op verzoek van het Leuvense stadsbestuur in oktober 1431 de lessen drie jaar onderbreken. Het stadsbestuur onderhandelde daarom met De Coster om zijn lessen tijdelijk neer te leggen. Op 26 januari 1442 heeft Hendrik de Coster afstand gedaan van zijn professoraat en het overgedragen aan Jean Sucquet. In de Ambrosiaanse bibliotheek te Milaan bevindt zich een laatmiddeleeuws handschrift met een latijnse lofzang op Brabant (Carmen in laudem Brabantiae) van "de Oesterwijck Henricus, medicorum minus" (Hendrik van Oisterwijk, de minste van de artsen). Het ligt voor de hand, dat de dichter dezelfde is als de professor in de medicijnen te Leuven. Het werk is rond 1430 geschreven en start met een uiteenzetting van de negen deugdzame eigenschappen van Brabant, waarna een opsomming volgt in versvorm van de Brabantse steden en plaatsen. Literatuur: Toon Brekelmans, 'Hendrik de Coster. Professor en dichter', De Kleine Meijerij 33 (1982) 6-8; Jozef IJsewijn, 'Henricus de Oesterwijck, The First Latin Poet of the University of Louvain (ca.1430)', Humanistica Lovaniensia, 18 (1969) 7-23. |